(om)scholing en ontwikkeling medewerkers

Steunmaatregelen (om)scholing en ontwikkeling van personeel

“Niet bezuinigen, maar investeren in baanbehoud”, was de boodschap van de Koning in de Troonrede. In het kader van deze boodschap heeft het kabinet op Prinsjesdag nieuwe steunmaatregelen bekend gemaakt voor verdere financiering voor (om)scholing en ontwikkeling van personeel. De maatregelen bieden extra steun voor mensen die hun werk zijn verloren of dreigen te verliezen. Zowel de medewerker als werkgever kan hier gebruik van maken.

Ruim 1 miljard euro is beschikbaar gesteld. Dit wordt in gezet voor: begeleiding van werk(loosheid) naar werk, (om)scholing, tegengaan van armoede en het aanpakken van jeugdwerkloosheid.

Begeleiding van werk(loosheid) naar werk

Verschillende sectoren krijgen grote klappen. Onder andere in de horeca-, logistiek- en cultuursector zijn al banen verloren gegaan, en een groot aantal mensen dreigt hun baan nog te verliezen. Om deze mensen te begeleiden naar een stabiele baan heeft het kabinet 650 miljoen euro vrijgemaakt. Naast een impuls voor de begeleiding naar (nieuw) werk, is dit geld beschikbaar om mensen uit de doelgroep banenafspraak betrokken te houden bij de arbeidsmarkt.

De (om)scholing van medewerkers

Zeker nu mensen zich meer zorgen maken om hun baan en de eigen inkomenszekerheid, biedt (om)scholing meer kansen op de arbeidsmarkt. Door (om)scholing en ontwikkeling ben je minder kwetsbaar op de arbeidsmarkt en aantrekkelijker voor de (huidige of toekomstige) werkgever.

Er is 230 miljoen euro beschikbaar gesteld in het kader van (om)scholing. Iedereen die zijn of haar werk heeft verloren of dreigt te verliezen als gevolg van corona, kan gebruik maken van de steunmaatregel. Ook als werkgever kan je aanspraak maken op de tijdelijke scholingsmaatregelen.

Opleiden loont!

Het investeren in de (om)scholing en ontwikkeling van (nieuwe) medewerkers heeft positieve invloed op de inzetbaarheid en betrokkenheid van medewerkers. Deze zijn hierdoor namelijk breder inzetbaar en blijven langer werkzaam binnen de organisatie. Als werkgever creëer je zo ook een flexibele en toekomstbestendige organisatie.

Heb je vragen over de bekendmaking en verdere invulling van deze steunmaatregelen? Neem dan contact op met Thomas Pillen via info@oaz.nl of bel 088-5600700.


Aanvulling budget Praktijkleren

Aanvulling budget Praktijkleren voor hard door corona getroffen sectoren

De coronacrisis heeft een grote impact op het aantal beschikbare arbeidsplaatsen in Nederland. Het kabinet legt hier het zwaartepunt op een goede aansluiting van werkzoekenden en het aanbod van arbeidsplaatsen. Ook het aantal stage- en leerwerplekken zijn van groot belang om de arbeidsmarkt in balans te houden. Daarom is er een offensief gelanceerd om leerwerkplekken beschikbaar te houden en het budget van de subsidie Praktijkleren wordt uitgebreid. In dit artikel vertellen we je wat voor jou betekent.

Aanvullend scholingsbudget uit derde noodpakket

In 2021 is er vanuit het derde noodpakket 63 miljoen euro extra beschikbaar voor de subsidie Praktijkleren. Leerlingen die een deel van een mbo-opleiding volgen en dit combineren met werk komen hiervoor in aanmerking. Dit specifieke budget heeft betrekking op nieuwe en kortdurende opleidingssoorten, met een opleidingsduur van 3 tot 6 maanden. Met deze steunmaatregel wil het kabinet vooral kansen bieden aan kwetsbare werkenden en -werkzoekenden.

Offensief voor behoud van opleidingsplaatsen

Vanuit de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) wordt een offensief gestart voor behoud van stage- en leerwerkplekken. Dit geldt voor het praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs en mbo. Het doel is om hiermee voldoende opleidingsplaatsen beschikbaar te houden voor leerlingen van deze onderwijsinstellingen.

Daarnaast wil SBB voldoende aandacht genereren voor de positie van jongeren in een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, met als doel er voor te zorgen dat deze uitstromen met een relevant certificaat. Denk hierbij aan studenten in entreeopleidingen, studenten die mogelijk vaker te maken krijgen met stagediscriminatie of studenten die ondersteuning nodig hebben op de werkplek.

Tot slot hoopt SBB met dit offensief leerbanen beschikbaar te hebben voor werkzoekenden en werkenden. Dit richt zich specifiek op vitale en/of kanssectoren.

Het kabinet heeft in de jaren 2021 en 2022 voor dit offensief 15 miljoen euro gereserveerd.

Aanvulling budget Praktijkleren

Tot slot wordt in 2020 en 2021 het budget voor de regeling Praktijkleren uitgebreid. Dit is specifiek voor sectoren waar sprake is van conjunctuurgevoelige beroepen en contactberoepen. Deze sectoren zijn hard getroffen als gevolg van de coronacrisis en kunnen op deze manier voldoende leerwerkplaatsen blijven realiseren.

Het kabinet stelt voor de schooljaren 2020/2021 en 2021/2022 jaarlijks 11 miljoen euro extra budget beschikbaar.

Heb je vragen over de aanvulling van het budget voor Praktijkleren of het offensief voor behoud van opleidingsplaatsen? Neem dan contact op met Thomas Pillen via info@oaz.nl of bel direct 088-5600700.


Prinsjesdag sociale zekerheid

Ontwikkelingen Prinsjesdag op gebied van sociale zekerheid

In het kader van Prinsjesdag heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) de begroting voor 2021 bekend gemaakt. OAZ ondersteunt organisaties bij het onderzoek naar besparingen op de afdracht van sociale lasten en premies. Wij hebben de ontwikkelingen op gebied van sociale zekerheid voor je op een rij gezet.


Compensatie Transitievergoeding: raming bijgesteld en vergoeding MKB

Na twee jaar ziekte van een medewerker dien je als werkgever een transitievergoeding te betalen bij ontslag. Vanaf 1 april 2020 wordt je hiervoor gecompenseerd via de regeling ‘compensatie transitievergoeding’. Een aanvraag voor compensatie transitievergoeding dient vóór 1 oktober 2020 te zijn ingediend. Dit betreft transitievergoedingen die zijn uitbetaald in de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 maar 2020. De regeling blijft ook na 1 oktober van kracht, alleen vervalt dan de mogelijkheid om deze met terugwerkende kracht aan te vragen.

De raming van de regeling is naar beneden bijgesteld. Een van de oorzaken hiervan, is dat er nog geen rekening was gehouden met transitievergoedingen die in 2020 door de werkgever zijn uitbetaald, maar niet allemaal door het UWV in 2020 kunnen worden gecompenseerd.

Vanaf 1 januari 2021 kunnen bovendien ook kleine werkgevers aanspraak maken op de compensatie transitievergoeding. Mits is voldaan aan de voorwaarden, kan er compensatie worden aangevraagd na beëindiging van de onderneming als gevolg van pensionering of ziekte van de werkgever.


Re-integratietrajecten met RIV-toets: loondoorbetaling bij ziekte

Met het wetsvoorstel ‘RIV-toets UWV door arbeidsdeskundigen’ weegt per 2021 het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de medewerker zwaarder. In de huidige situatie geeft de verzekeringsarts hier het eindoordeel, dat voor de werkgever kan leiden tot een loonsanctie. Met deze nieuwe maatregel is het eindoordeel van de bedrijfsarts straks leidend.

Hebben de werkgever en medewerker de voorgestelde re-integratie-inspanningen geleverd, passend bij het advies van de bedrijfsarts, dan kan het oordeel van de verzekeringsarts niet meer leiden tot een sanctie. Dit voorkomt onzekerheid over het re-integratietraject voor de betrokken partijen.


Evaluatie WIA-criteria voor werknemers met loonkostensubsidie

De criteria om in aanmerking te komen voor de WIA worden geëvalueerd door het UWV en ministerie van SZW, gaat specifiek om medewerkers met loonkostensubsidie in de Participatiewet, die vervolgens ziek worden. De huidige vorm van de WIA-beoordeling voor deze medewerkers doet geen recht aan de mogelijkheden om te participeren.

Naar aanleiding van de resultaten van de evaluatie zal de Kamer geïnformeerd worden over de vervolgstappen. Aanpassingen op de criteria vinden op zijn vroegst plaats per 2022, een jaar later dan verwacht.


Scholingsexperiment voor betere kans op werkhervatting voor WGA-gerechtigden

Het scholingsexperiment voor WGA-gerechtigden wordt verder voorbereid. Het doel van dit experiment is om te onderzoeken in hoeverre de gerichte scholing WGA-gerechtigden, hen dichter bij de arbeidsmarkt brengt. Daarmee wordt gekeken of dit de werkhervattingskansen van deze doelgroep vergroot. Voor de werkgever kan dit een verlaging van de schadelast betekenen.

Heb je vragen over de ontwikkelingen op gebied van sociale zekerheid? Neem dan contact op met Alinda Mastenbroek via info@oaz.nl bel 088-5600700.


LIV naar LKV jongeren

Wijziging LIV naar LKV jongeren en uitstel LKV banenafspraak

De effectiviteit van de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) wordt geëvalueerd. Het kabinet gaat met een groep werkgevers in gesprek over de Wtl. Het doel? Een effectievere invulling van de regelingen binnen de Wtl om de afstand tot de arbeidsmarkt voor mensen binnen een kwetsbare doelgroep te verkleinen.

Twee van de aangekondigde voorstellen zijn het stopzetten van het Jeugd-Lage Inkomensvoordeel (Jeugd-LIV) en het omzetten van het Lage Inkomensvoordeel (LIV) naar het Loonkostenvoordeel jongeren (LKV jongeren). Daarnaast heeft het kabinet aangekondigd het Loonkostenvoordeel voor de doelgroep banenafspraak structureel te maken.

Een effectievere Wtl: LIV naar LKV jongeren

Het LIV is een tegemoetkoming voor werkgevers die medewerkers met een laag loon in dienst hebben. Dit zijn vaak medewerkers die in kwetsbare doelgroepen vallen. Binnen de regeling is een splitsing gemaakt tussen het reguliere LIV en het Jeugd-LIV.

Sinds 2018 vormt het Jeugd-LIV een jaarlijkse tegemoetkoming voor de werkgever die werknemers tussen de 18 en 21 jaar die het minimumjeugdloon verdienen in dienst neemt. Het minimumjeugdloon wordt de komende jaren gefaseerd verminderd. Dit jaar is daar al mee begonnen. Zo vallen 21-jarigen dit jaar niet meer onder het Jeugd-LIV, worden volgend jaar 20-jarigen niet meer meegerekend en vervalt de regeling in zijn geheel vanaf 31 december 2024. Vanaf 2025 worden de budgetten van het LIV en Jeugd-LIV overgeheveld naar het budget voor het LKV.

De effectiviteit van het Jeugd-LIV en het reguliere LIV staan al langer ter discussie. Dit heeft dan ook tot het besef geleid dat er een evaluatie en herziening nodig is van de regeling. Dit wordt vormgegeven in de voorgestelde regeling ‘Loonkostenvoordeel jongeren’.

Een meer inclusieve arbeidsmarkt

Het LKV jongeren is gericht op jongeren van 18 tot 27 jaar met een substantiële baan van minimaal 1248 uur. Het gaat dan om jongeren die een loon ontvangen van tussen 100% en 125% van het minimumjeugdloon. Ten opzichte van het huidige LIV biedt het LKV jongeren een beter uitzicht op een betere positie voor kwetsbare jongeren in een meer inclusieve arbeidsmarkt.

Deze regeling is bedoeld als stimulans voor de werkgever om jongeren aan te nemen binnen kwetsbare doelgroepen. Voor zulke jongeren die op zoek naar een baan geeft het LKV jongeren dus meer mogelijkheden op een vaste baan.

De hoogte van het bedrag voor het LKV jongeren is nog niet bekend. De bestaande parameters vormen hier de basis van de vaststelling van het beschikbare bedrag per medewerker. Het bestaande budget dat wordt ingezet voor het LIV is in ieder geval in zijn geheel beschikbaar voor een effectievere inzet van deze regeling. Naar verwachting zal deze regeling ingaan per 1 januari 2024.

Structureel Loonkostenvoordeel doelgroep banenafspraak

Met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt is het voor mensen in de doelgroep banenafspraak vaak lastig om werk te vinden. Met de inzet van het Loonkostenvoordeel (LKV) banenafspraak wordt het voor de werkgever juist interessanter om mensen uit deze doelgroep aan te nemen. De aankondiging van het kabinet om het loonkostenvoordeel banenafspraak structureel te maken biedt dan ook voor medewerker en werkgever meer mogelijkheden. Iemand die binnen de doelgroep banenafspraak valt heeft zo een betere kans op een vaste baan en de werkgever loopt minder financieel risico bij het aannemen van medewerkers binnen de doelgroep.

De plannen van het kabinet om het LKV banenafspraak structureel te maken zijn uitgesteld tot 2024. Vanaf dat jaar kan de regeling worden toegepast gedurende het gehele dienstverband van de medewerker. Het LKV wordt in datzelfde jaar toepasbaar voor alle medewerkers die op dat moment in de doelgroep banenafspraak vallen, ook als deze wellicht al langer in dienst zijn.

Geen loondispensatie, maar breed offensief

Mensen die werken op een beschutte werkplek, of mensen met een Wet Sociale Werkvoorziening-indicatie (Wsw-indicatie) werkzaam binnen een Wsw bedrijf, hebben geen recht op het LKV banenafspraak. Mensen binnen deze doelgroepen zijn vaak ouder dan 27 jaar. Het kabinetsplan om voor deze doelgroepen loondispensatie in te voeren, als onderdeel van de Participatiewet, gaat niet door.

Er is gekozen voor een breed offensief, wat het gemakkelijker moet maken voor mensen met een arbeidsbeperking om aan het werk te komen. Voor 2020 en 2021 heeft het kabinet 53 miljoen euro vrijgemaakt om deze mensen te ondersteunen bij het vinden van een baan. Ook is er 40 miljoen euro structureel beschikbaar gesteld voor de nieuwe vrijlating van arbeidsinkomsten voor mensen die in deeltijd met loonkostensubsidie werken.

Heb je vragen over de wijzigingen binnen de Wet tegemoetkoming loondomein? Neem dan contact op met Jurgen Brouwers via info@oaz.nl of bel direct 088 5600 700.


Uitstel quotumregeling

Uitstel van de quotumregeling

Het kabinet en de sociale partners hebben afgesproken dat er in 2026 in totaal 125.000 extra banen worden gecreëerd voor mensen met een arbeidsbeperking. Dit geldt voor reguliere werkgevers. Binnen deze afspraak is een splitsing gemaakt tussen de overheidssector en de marktsector.

Blijft de invulling van het aantal banen voor mensen met een arbeidsbeperking achter, dan kan de quotumheffing (een boete van € 5.000 per niet ingevulde werkplek) in werking treden. Jaarlijks worden er tussenmetingen gehouden om te kijken hoeveel van deze banen er vanuit de doelgroep banenafspraak zijn ingevuld.

Resultaten banenafspraak en quotumregeling

De resultaten van de doelgroep banenafspraak over 2019 zijn bekend gemaakt. In 2019 zijn er in totaal 61.615 extra banen bijgekomen. Het doel om tot en met 2019 55.000 extra banen te realiseren, ten opzichte van de nulmeting, is hiermee ruimschoots gehaald. In totaal (inclusief de 75.179 banen ten tijde van de nulmeting) waren er eind 2019 136.794 banen voor mensen in de doelgroep banenafspraak.

In de marktsector zijn er opnieuw meer banen gerealiseerd dan het eerder afgesproken aantal. De marktwerkgevers hadden als doel om in 2019 40.000 extra banen te creëren. Zij zijn er in geslaagd om een totaal van 51.829 extra banen te realiseren ten opzichte van de nulmeting. Voor het vijfde jaar op rij hebben deze werkgevers dan ook de doelstelling ruimschoots behaald.

Opvallend is dat het aantal banen binnen de overheidssector achterblijft op het afgesproken aantal in de banenafspraak. De overheidssector had als doel om in 2019 15.000 extra banen te creëren. In 2019 zijn er slechts 9.786 extra banen gerealiseerd door overheidswerkgevers. In dit geval zou de quotumheffing in werking moeten treden.

Uitstel van de quotumregeling tot 2022

De quotumregeling, geactiveerd in 2018, is nog steeds actief. In dat jaar kondigde staatssecretaris Van Ark van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) aan om de Wet banenafspraak en het quotum arbeidsbeperkten te willen vereenvoudigen. Dit zou moeten worden vormgegeven in een nieuw systeem. De quotumheffing in zijn huidige vorm is naar aanleiding hiervan tot en met 2021 opgeschort. Er wordt tot 2022 dan ook geen quotumheffing opgelegd aan de overheidssector.

Impact corona op cijfers doelgroep banenafspraak

De impact van corona op de banenafspraak is in de cijfers nog niet zichtbaar. De eerste indicatie van de impact op de resultaten voor de banenafspraak zal in de trendrapportage van het UWV van eind oktober 2020 te zien zijn. Daarin worden de voorlopige resultaten van de eerste twee kwartalen van 2020 op landelijk niveau duidelijk. In juli 2021 volgen de volledige resultaten over 2020.

Het kabinet heeft al verschillende maatregelen genomen om de effecten van corona op de werkgelegenheid te verzachten. Deze maatregelen zijn ook van toepassing op de werknemers uit de doelgroep banenafspraak. Zo worden ook deze werknemers door onder andere de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) beschermd.

Heb je vragen over loonkostenvoordelen, de banenafspraak of de quotumregeling? Neem dan contact op met Anita Portegies via info@oaz.nl of bel direct 088 5600 700.


Subsidieverantwoording SectorplanPlus

Subsidieverantwoording de impact van corona

Tijdelijke administratieve lastenverlichting

Subsidieverantwoording is in sommige gevallen een draak van een taak. Per stagiaire, leerling of medewerker die een opleiding of training heeft gevolgd zijn één of meerdere documenten nodig ter verantwoording. Veel van deze documenten zijn lastig te achterhalen of moeten speciaal voor de subsidie worden opgesteld.

En toen was daar opeens corona, het ‘nieuwe normaal’ waarin moet worden thuisgewerkt en we 1,5 meter afstand moeten houden. We zien steeds minder mensen fysiek op de werkvloer en dit zorgt voor nog meer obstakels bij het verzamelen van de documentatie voor de subsidieverantwoording. Zo is bijvoorbeeld het verzamelen van meerdere handtekeningen op hetzelfde papier bijna onmogelijk geworden, terwijl dat toch vaak een vereiste is bij subsidieverstrekkers.

Deze situatie doet de druk op de zorg alleen maar verder toenemen. Gelukkig signaleerden de subsidieverstrekkers dit ook en hebben zij enkele (tijdelijke) maatregelen aangekondigd voor het verminderen van de administratieve lasten voor opleidingssubsidies. Zorginstellingen hebben hierdoor tijdelijk wat meer ademruimte gekregen, maar is deze tijdelijke lastenverlichting wel voldoende? En is het niet mogelijk om tijdelijk om te zetten in permanent?

Subsidieverantwoording: van fysiek naar digitaal

OAZ ondersteunt organisaties onder meer bij de opleidingssubsidies Stagefonds, Praktijkleren en SectorplanPlus. Zo signaleren we de doelgroepen voor de regelingen en verzamelen en beoordelen we de nodige documentatie. Hierin herkennen wij dat administratieve verantwoording voor veel organisaties een knelpunt vormt.

 Tot vijf jaar geleden kwamen we nog veel fysieke mappen met leerlingenadministratie tegen. Inmiddels wordt dit steeds meer volledig digitaal ingericht. Zo zien we bijvoorbeeld een enorme toename aan opleiders die kiezen voor digitale handtekeningen op hun beroepspraktijkvormingsovereenkomsten (BPV-overeenkomst).

Omdat we zo dicht op de materie zitten en samen met veel organisaties de subsidieadministratie verzorgen, weten wij goed waar de knelpunten liggen. We zijn daarom doorlopend in gesprek met de subsidieverstrekkers, werkgevers en opleiders. Samen met hen streven we ernaar om de benodigde subsidieadministratie beter aan te laten sluiten op de aanwezige administratie bij organisaties.

De (tijdelijke) maatregelen voor administratieve lastenverlichting

Een aantal struikelpunten die we vaak zien terugkomen zijn dankzij de corona-versoepelingen tijdelijk opgelost. De volgende maatregelen zijn namelijk genomen:

  1. Uitstellen van deadlines;
  2. Versoepeling van de voorwaarden van presentielijsten bij trainingen;
  3. Vereenvoudigde verantwoording voor tijdvak 4 van SectorplanPlus;
  4. Vervallen van facturen en betalingsbewijzen voor BBL en hbo-duaal.

1. Verplaatsing van deadlines

Met name bij de subsidieregeling SectorplanPlus is de administratieve last hoog. Er zijn veel (tussentijdse) deadlines en er dienen verschillende documenten verzameld te worden om de aangevraagde subsidie te onderbouwen. Deze deadlines hebben direct invloed op het subsidiebedrag dat een organisatie kan ontvangen.

Als een deadline niet wordt gehaald, kan dit bedrag veel lager uitvallen. Wijzigingen en aanvullingen op een later moment zijn namelijk niet mogelijk.

De deadlines van 1 april 2020 en 1 juli 2020 zijn verplaatst naar 1 oktober 2020. Op deze datum moeten nu alle deelnemers aan tijdvak 3 geregistreerd te zijn in het webportal SectorplanPlus. Ook dient de verantwoording van tijdvak 1 volledig te zijn afgerond.

Het uitstellen van deze deadlines was absoluut noodzakelijk voor de aanvragers. De afgelopen maanden hebben zorginstellingen namelijk alle tijd nodig gehad om zich volledig te richten op patiëntenzorg. Daarnaast was het voor veel organisaties niet mogelijk om de benodigde stukken aan te leveren. Presentielijsten en certificaten worden veelal fysiek bijgehouden en lagen bij veel organisaties nog op kantoor terwijl het kantoorpersoneel vanuit huis werkte.

2. Versoepelingen registratie presentie bij trainingen

Naast het uitstellen van de deadlines voor tijdvak 1 en 3 heeft de subsidieverstrekker een versoepeling ingevoerd ten aanzien van de presentielijsten. Tot enkele maanden geleden was het verplicht de lijsten tijdens een training handmatig te laten ondertekenen door alle deelnemers en de docent.

Omdat trainingen dit jaar voornamelijk op afstand plaatsvinden heeft de subsidieverstrekker de verplichting voor het tekenen van de lijsten door de deelnemers tijdelijk laten vervallen. De docent is hier nu verantwoordelijk voor. Hij of zij registreert en bevestigt de namen van de deelnemers die aan- of afwezig zijn. Vervolgens tekent de docent de presentielijst en geeft dat het gaat om een training op afstand. Zo weet de subsidieverstrekker of de deelnemers in de gelegenheid zijn geweest om de lijst te tekenen. Bij trainingen op locatie zijn deelnemers wel nog steeds verplicht om hun handtekening te zetten.

Door de versoepeling is het nu mogelijk om ook trainingen op afstand mee te nemen in de verantwoording voor SectorplanPlus. Deze versoepeling is tijdelijk maar wij pleiten ervoor dat het structureel wordt. Een structurele versoepeling van het trainen op afstand maakt het voor veel organisaties namelijk veel haalbaarder om de kosten, en daarmee de subsidieverantwoording, op orde te brengen voor dergelijke trajecten.

Aangezien het om relatief lage bedragen gaat (per deelnemer ca. € 30 per dagdeel t.o.v. € 2.500,- per BBL per schooljaar) kiezen organisaties er regelmatig voor om deze trajecten niet mee te nemen in de verantwoording, juist omdat de presentielijsten aan zoveel voorwaarden moeten voldoen.

3. Vereenvoudigde verantwoording voor tijdvak 4

Al voor corona zag de subsidieverstrekker in dat de administratieve last verbonden aan de subsidieregeling SectorplanPlus hoog is. Vanaf tijdvak 4 is het daarom mogelijk om te kiezen voor een vereenvoudigde verantwoording van de trainingen die vallen in categorieën C2, D of E.

Bij de verantwoording kan gekozen worden voor ‘werkelijke kosten’ (de huidige wijze van verantwoorden) of ‘prestatie-eenheden’. Bij prestatie-eenheden is de verantwoordingslast teruggebracht naar twee documenten, te weten een loonstrook en een prestatieverklaring. De subsidie wordt hierbij berekend op basis van vastgestelde normtarieven.

Er wordt niet meer gekeken naar de werkelijke kosten van een training waardoor het overleggen van facturen en betaalbewijzen niet meer nodig is. Voor de trainingen die gestart zijn in de tijdvakken 1, 2 en 3 blijft het verzamelen en uploaden van deze documenten wel noodzakelijk.

4. Vervallen facturen en betalingsbewijzen

Een andere versoepeling, die overigens ook al voor de coronatijd werd aangekondigd, is het vervallen van facturen en betaalbewijzen voor BBL en hbo-duaal leerlingen die een arbeidscontract voor minder dan 24 uur per week hebben, de zogeheten categorie C1. Met name het aanleveren van de betaalbewijzen bleek voor veel organisaties lastig. Facturen worden vaak betaald in een batch waardoor ook deze aanvullende batchlijsten moeten worden toegevoegd aan de subsidieverantwoording.

Als een organisatie te lang wacht met het verzamelen van de betaalbewijzen wordt het steeds lastiger om de betaling naar boven te krijgen. Bij de meeste banken meeste banken zijn betalingen na iets meer dan een jaar niet meer zichtbaar in het (digitale)  betalingsoverzicht. Ook voor deze trajecten geldt dat subsidie voor sommige organisaties komt te vervallen door het ontbreken van administratie.

OAZ heeft zelf ook een versimpeling in het leven geroepen voor dit struikelblok. We hebben namelijk een ‘Verklaring van Betaling’ ontwikkeld die de betaalbewijzen kan vervangen. Hiermee bevestigt de opleider waarvan de factuur afkomstig is dat de factuur betaald is door de zorgorganisatie. De betaalbewijzen zijn voor hbo deeltijd, mbo derde leerweg en trainingen namelijk steeds nodig.

Zorgen voor patiënten

De afgelopen maanden heeft de subsidieverstrekker met verschillende maatregelen de administratieve lasten voor zorgorganisaties verlicht. De maatregelen hebben nog lang niet alle administratie versimpeld want er dienen nog altijd verschillende documenten verzameld en geüpload te worden.

Maar, de verlichting heeft er wel voor gezorgd dat zorginstellingen zich de afgelopen maanden hebben kunnen bezig houden met waar zij goed in zijn, namelijk het zorgen voor patiënten. Wij hopen dat een aantal van de versimpelde maatregelen structureel kunnen worden doorgevoerd zodat zorginstellingen zich ook in de toekomst kunnen blijven focussen op hun kerntaak.


No-riskpolis

De no-riskpolis: een onderbelichte regeling

Heb jij mensen in dienst met een afstand tot de arbeidsmarkt? Dan zou het goed kunnen dat je zonder dat je het weet financiële tegemoetkomingen misloopt. Een van die tegemoetkomingen is de no-riskpolis. Als jouw werknemer met een afstand tot de arbeidsmarkt ziek wordt, kun je daar via de no-riskpolis looncompensatie voor krijgen.

OAZ ervaart dat deze regeling nog onvoldoende bekend is, zowel onder de mensen die er voor in aanmerking komen, als bij de organisaties die er beroep op kunnen doen. Dit komt onder andere doordat de doelgroep binnen organisaties vaak niet goed in beeld is. Dit is zonde want hierdoor lopen veel werkgevers zonder het te weten geld mis. Bovendien kan grotere bekendheid van het bestaan van deze regeling er voor zorgen dat werknemers met een afstand tot de arbeidsmarkt aantrekkelijker worden om aan te nemen.

Voor zowel werkgevers als werknemers is het dus van belang om meer over de no-riskpolis te weten. We zetten de regeling in dit artikel graag in de spotlights, en geven een aantal handige tips voor het gebruiken van dit vangnet.

Signaleren van no-risk

De no-riskpolis is een regeling die loondoorbetaling compenseert bij ziekte van je medewerkers met afstand tot de arbeidsmarkt. Hij is in het leven geroepen om de werkgelegenheid voor mensen met een arbeidsbeperking te bevorderen door de risico’s voor werkgevers te minimaliseren.

Als werkgever kun je alleen beroep doen op de no-risk voor een medewerker als je weet dat hij of zij er voor in aanmerking komt. Dit klinkt logisch, maar het blijkt nog steeds een uitdaging. Medewerkers melden niet altijd bij de werkgever dat ze binnen de doelgroep vallen, of zijn er soms zelf niet eens van op de hoogte. Het is daarom belangrijk om na de start van het dienstverband met je medewerker in gesprek te gaan om te achterhalen of hij of zij binnen de regeling valt.

Nu een groot deel van Nederland thuis werkt is het signaleren en registreren van ziekteverzuim wat ingewikkelder dan normaal. OAZ herkent een aantal terugkerende situaties waarbij de combinatie van de no-riskpolis en corona voor onduidelijkheid zorgt. De twee meest voorkomende situaties lichtten we je toe in ons artikel over no-risk tijdens corona.

Valkuilen in de digitale registratie

Een ziekmelding moet binnen zes weken na aanvang van de ziekte worden doorgegeven aan het UWV. Gebeurt dit op een later moment dan kan het UWV een boete van maximaal €455 opleggen. Omdat we veel organisaties ondersteunen bij hun verzuimadministratie zien we een aantal fouten vaak terugkomen. De meeste problemen ontstaan bij de digitale registratie van ziekmeldingen.

Bij het digitaal registreren van verzuim is het belangrijk om de nauwkeurigheid van de registraties in de gaten te houden. Dit omdat er meerdere systemen voor kunnen worden gebruikt en in die systemen toch fouten kunnen optreden. Zo kan een ziekmelding bijvoorbeeld per abuis niet worden doorgegeven.

Signaleer je binnen zes weken een missende ziekmelding, dan kun je nog schakelen en de registratie correct doorvoeren. Als je dit pas later opmerkt wordt het echter ingewikkelder. Want, is het dan kostentechnisch nog interessant om de ziekmelding met terugwerkende kracht te registreren?

Ziekmelden met terugwerkende kracht

Je kunt ziekmeldingen met terugwerkende kracht doen tot wel een jaar terug en in sommige gevallen loont dit ook zeker. Het probleem hiermee is dat het een zeer omvangrijke administratieve taak is die voor de meeste organisaties veel te tijdrovend is naast de normale werkzaamheden. Hierdoor valt het vaak tussen wal en schip, of wordt het vergeten.

Wij hebben veel ervaring met dit soort meldingen en houden goed de vinger aan de pols bij het UWV. Hierdoor hebben wij in een flink aantal gevallen kunnen voorkomen dat de boete voor te laat registreren door het UWV werd opgelegd. Bij ziekte van een medewerker met no-risk kan een melding met terugwerkende kracht dan al snel duizenden euro’s verschil in schadelasten maken.

Drie tips voor no-risk

Kortom, het is van belang om no-risk voor medewerkers tijdig te registreren en de doelgroep binnen jouw organisatie goed op de radar te houden. Zo krijgt jouw organisatie de financiële tegemoetkomingen waar ze recht op heeft. Bovendien zorgt meer bekendheid van de regeling voor meer werkgelegenheid voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.

Bekijk dus eens de volgende tips voor jouw organisatie!

Tip 1: Ga met nieuwe medewerkers in gesprek om te achterhalen of zij in aanmerking komen voor no-risk.

Tip 2: Houd overzicht door ziekmeldingen tijdig te registreren.

Tip 3: Schakel snel als je een fout signaleert in de digitale registratie.

OAZ kan je hierbij helpen. We ondersteunen je in het volledige proces van signalering, registratie en uitbetaling door het UWV. Zo houd je controle op verzuim en heb je no-risk goed in beeld.

Vragen?

Wil jij beter zicht op het no-risk verzuim binnen jouw organisatie, of heb je vragen over hoe je deze regeling beter kunt benutten? Neem dan contact op met Elena Maranus via info@oaz.nl of bel direct 088-5600700.


Evaluatie Stagefonds Zorg

Evaluatiegesprek Stagefonds Zorg: onze aanbevelingen

Per 1 augustus 2021 vervalt de regeling Stageplaatsen zorg II (Stagefonds). Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport laat daarom een evaluatie uitvoeren over het gebruik van de regeling in de periode 2016 tot en met 2019. Afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek wordt de regeling mogelijk herzien en verlengd.

OAZ heeft meerdere organisaties ondersteund bij het invullen van de vragenlijst die voor het onderzoek werd verstuurd. Bovendien hebben we een evaluatiegesprek gevoerd met I&O research en organisatiebureau Berenschot, die het onderzoek uitvoeren. We delen hier graag de eerste bevindingen die wij als ervaringsdeskundige hebben opgedaan; waar liepen organisaties tegenaan de afgelopen jaren, en wat zou er moeten veranderen om de regeling succesvol te kunnen verlengen.

Wat is het Stagefonds?

Het Stagefonds is bedoeld om meer stageplaatsen bij zorgaanbieders te creëren en om de begeleiding van stagiaires te verbeteren. Een sterker stage-aanbod kan een carrière in de zorgsector aantrekkelijker maken voor jongeren en zo de personeelstekorten in de zorg verminderen, oplossen en zelfs voorkomen.

Evaluatiegesprek Stagefonds met OAZ

Aangezien OAZ jarenlange ervaring heeft met de regeling kennen we de behoeftes en knelpunten waar onze klanten tegenaan lopen. In het evaluatiegesprek met de onderzoekers hebben we daarom de belangrijkste bevindingen benoemd en een aantal suggesties voor verbetering aangedragen.

Kwalificatienummers wel of niet subsidiabel

We zien bij veel van onze relaties regelmatig opleidingen en trajecten waarvan het kwalificatienummer niet subsidiabel is, terwijl (soort)gelijke opleidingen dat wel zijn. Of waar het kunnen aanvragen van subsidie afhangt van de context waarbinnen een stage wordt gelopen.

Bijvoorbeeld:

  • MBO derde leerweg opleidingen (OVO) zijn niet subsidiabel, maar de BBL opleidingen wel.
  • Zorgstages zijn niet subsidiabel als ze worden gelopen als keuzedeel voor een opleiding die niet binnen het Stagefonds valt.
  • Branche-erkende opleidingen zoals Kraamverzorgende vallen niet onder het Stagefonds maar Verzorgende IG wel.
  • Een opleiding met twee croho-nummers is voor het ene nummer wel subsidiabel (bijvoorbeeld HBO SPH 34617) en voor het andere niet (HBO SPH 81032).

Er is hier vaak sprake van opleidingen met min of meer dezelfde inhoud als opleidingen waarvoor wel subsidie vanuit het Stagefonds aan te vragen is. Deze inconsistentie zorgt voor veel verwarring en onbegrip.

HBO duaal versus deeltijd

Daarnaast zien we dat landelijk veel onduidelijkheid is over het verschil tussen HBO duaal en HBO deeltijd. Ook de onderwijsinstellingen zelf kunnen hierin niet altijd opheldering verschaffen en hanteren onderling soms zelfs verschillende definities voor de leerwegen.

Omdat de normbedragen voor de twee opleidingsvormen aanzienlijk verschillen hebben wij tijdens het evaluatiegesprek gepleit voor het gelijktrekken van de twee leerwegen in de subsidieregeling. De inzet van de stageaanbieder, en daarmee de kosten, zijn voor beide varianten namelijk vrijwel altijd gelijk.

Verlenging van de regeling

Momenteel voeren de onderzoekers nog evaluatiegesprekken met zorgorganisaties en opleiders om zoveel mogelijk input te verzamelen. I&O research laat al wel weten dat de respons op de vragenlijsten in ieder geval hoog is. Een eerste verwachting is dat de regeling vermoedelijk verlengd zal gaan worden, maar dat wordt pas duidelijk wanneer het onderzoek met het ministerie is besproken. We houden je natuurlijk op de hoogte over verdere ontwikkelingen.

Heb je naar aanleiding van dit artikel vragen of opmerkingen over het Stagefonds, of hulp nodig met aanvragen? Neem dan contact op met onze adviseur Gina Bart via info@oaz.nl of bel direct 088-5600700.

 


WGA instroom

WGA-instroomcijfers blijven stijgen

Ook in 2019 zijn de WGA-instroomcijfers weer gestegen. Dit blijkt uit de publicatie Instroomcijfers WGA 2019 voor grote werkgevers die het UWV in juli uitbracht. De publicatie, die jaarlijks verschijnt, toont de landelijke in- en uitstroom van zieke (ex-)werknemers in de WGA in 2019. Het gaat hier om werknemers die ziek werden in 2017 en in 2019 een WGA-uitkering door het UWV toegekend kregen. De instroomcijfers worden alleen gepubliceerd voor werkgevers die meer dan 250 medewerkers in dienst hebben.

In december zal de Whk-beschikking 2021 bij je op de mat vallen. Uit ervaring weten wij dat er vaak foute toerekeningen in deze beschikkingen staan. Zo is het mogelijk dat je als werkgever te veel premie betaalt. De WGA-cijfers die nu gepubliceerd zijn laten een aantal ontwikkelingen zien die van invloed kunnen zijn op je Whk-beschikking.

Wij zetten daarom de belangrijkste cijfers en ontwikkelingen uit de publicatie op een rij en leggen uit wat dit voor invloed kan hebben op jouw Whk-premie.

Landelijke toename van instroomcijfers WIA, WGA en IVA

Al sinds 2015 is er een stijging te zien in het aantal personen dat een WGA-uitkering of IVA-uitkering ontvangt. Deze twee groepen arbeidsongeschikten vormen samen het aantal langdurig arbeidsongeschikten die een WIA-uitkering ontvangen.

In 2019 zijn er in totaal 45.800 arbeidsongeschikten via WGA en IVA ingestroomd in de WIA. Van deze instroom kregen 34.100 personen een WGA-uitkering. Daarvan kunnen er 21.000 rechtstreeks worden toegerekend aan werkgevers via de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) 2021, of aan organisaties die Eigendrager (ERD) zijn.

Tabel 1: Instroom WIA

Instroom WIA
Instroom WIA (x1.000 personen)

Stijging in het aantal toegerekende uitkeringen aan werkgevers

De grootste procentuele toename in 2019 ligt bij de instroom in de WGA. Dit kan er voor zorgen dat er voor de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) 2021 hogere toerekeningen worden gedaan, waarmee de premie Whk voor jouw organisatie dus kan stijgen.

Daarom is het goed om te weten dat niet alle WGA-uitkeringen zomaar mogen worden toegerekend aan de werkgever. Het UWV rekent de WGA-uitkering bijvoorbeeld niet toe aan werkgevers in de volgende gevallen:

  • WGA-uitkeringen die zijn toegekend aan ziek WW’ers;
  • Vrouwen die ziek zijn geworden door zwangerschap of bevalling;
  • Werknemers die ziek zijn geworden door orgaandonatie;
  • Werknemers die onder de no-riskpolis vallen.

Daarnaast mogen ook de IVA-uitkeringen die zijn toegekend aan personen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn niet aan werkgevers worden toegerekend. In 2019 zijn er 11.700 nieuwe IVA-uitkeringen aan deze doelgroep toegekend.

Tabel 2: WGA-uitkeringen

WGA-uitkeringen
WGA-uitkeringen (x1.000 personen)

Hoe zit het met jouw instroomcijfer?

In de download WGA-instroom grote werkgevers vind je de instroomcijfers van jouw organisatie en die van anderen binnen jouw eigen sector. Zo kun je de WGA-instroom van jouw organisatie vergelijken met de cijfers van andere organisaties, sectoren en het landelijk gemiddelde.

Door jaarlijks de WGA-instroomcijfers met elkaar te vergelijken kun je voortdurend peilen hoe de WGA-instroom en het aantal toegerekende uitkeringen zich binnen jouw organisatie ontwikkelen. De hoogtes van de toegerekende WGA-uitkeringen in jouw organisatie hebben direct invloed op het Whk-percentage en zodoende ook op de te betalen Whk-premie in 2021.

Controleer altijd je Whk-beschikking

Het is dus belangrijk om je Whk-beschikking goed te controleren. We komen vaak fouten tegen waarbij uitkeringen voor werknemers die onder een van de bovenstaande situaties vallen toch worden toegerekend aan de werkgever. Door onterechte toegerekende uitkeringen te laten verwijderen is er kans dat je Whk-premie daalt en daarmee je schadelast verlaagt. Het controleren van de Whk-beschikking kan met terugwerkende kracht tot vijf jaar terug.

Actief WGA-instroom beheersen

Om je zekerheid en overzicht te geven over je beschikking gedifferentieerde premie Whk 2021 controleren wij de opbouw van deze beschikking voor jou. Vanuit onze dienstverlening WGA management en ZW management brengen onze HR specialisten alle toegerekende uitkeringslasten van jouw organisatie in beeld. Wij controleren of deze toerekeningen terecht worden doorbelast.

Als blijkt dat een uitkering niet aan jou als werkgever toegerekend had mogen worden dan betaal je onterecht een hoge premie. Wij tekenen dan bezwaar aan bij de belastingdienst, of gaan in beroep. Ook vragen we nieuwe herbeoordelingen voor je aan indien nodig. Zo helpen wij de WGA-schadelast binnen jouw organisatie te beheersen.

Wil je meer weten over onze dienstverleningen met betrekking tot de controle Whk, WGA Management of ZW management? Neem dan contact met Mirella de Jong via info@oaz.nl of bel direct 088-5600700.


Wet tegemoetkoming loondomein - loonkostenvoordelen

Evaluatie van de Wet tegemoetkoming loondomein

Zoals afgesproken in de uitwerking van het pensioenakkoord van 6 juli 2020, wordt de effectiviteit van de Wet tegemoetkoming loondomein (Wtl) geëvalueerd. Samen met een groep werkgevers uit verschillende sectoren gaat het kabinet hiermee aan de slag. Het doel is om te onderzoeken of er een effectievere invulling kan worden gegeven aan het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt voor verschillende kwetsbare doelgroepen.

Regelingen zoals het Lage inkomensvoordeel (LIV) en het Loonkostenvoordeel (LKV) zouden gerichter ingezet kunnen worden om dit doel te bereiken. Wijzigingen zoals de invoering van het LKV jongeren en de LKV banenafspraak zijn al geïntroduceerd en worden verder uitgewerkt. Deze wijzigingen kunnen voor een werkgever financieel van invloed zijn op het proces van aannemen en behouden van (nieuwe) medewerker.

In dit artikel laten we zien vanuit welke visie de Wtl wordt gewijzigd, en wat de wijzigingen concreet inhouden.

De Wet tegemoetkoming loondomein en het pensioenakkoord

De overheid stimuleert werkgevers om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, zoals arbeidsgehandicapten of ouderen, in dienst te nemen. Dit is vormgegeven binnen de Wtl. Dankzij deze wet kun je als werkgever een tegemoetkoming ontvangen voor de loonkosten van een (toekomstige) medewerker binnen een specifieke doelgroep.

De Wtl wordt ingezet als lastenverlichting voor de maatregelen in het pensioenakkoord. Tegelijkertijd is er afgesproken dat werkgevers met een voorstel komen voor de besteding van de resterende middelen binnen de Wtl. Het voorstel dient binnen de grenzen van de Wtl te vallen. Het daarin opgenomen bezuinigingsbedrag kan later niet worden gewijzigd.

Een effectievere inzet van Loonkostenvoordelen

De overkoepelende visie van het kabinet en de werkgevers is dat de Wtl in zijn geheel moet bijdragen aan een inclusieve arbeidsmarkt. De Wtl wordt een arbeidsmarktinstrument waarmee werkgevers verder worden gestimuleerd om mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen en aan te houden. Hoe gerichter het instrument wordt ingezet op een specifieke groep, hoe effectiever deze zal zijn.

Om de effectiviteit van de Wtl te verhogen zal het LIV worden hervormd. Het bestaande Jeugd-LIV zal worden omgevormd tot een LKV dat is gericht op potentieel kwetsbare jongeren. Daarnaast wordt de LKV banenafspraak structureel gemaakt.

De wijziging van LIV naar LKV jongeren

Het LKV voor jongeren richt zich op jongeren van 18 tot 27 jaar met een substantiële baan waarvoor ze het wettelijk minimum(jeugd)loon ontvangen. Dit gaat om functies die voor de medewerker extra belastend zijn zoals veel lichamelijke inspanning of een hoge geestelijke belasting. De bestaande parameters die gelden voor het jeugd-LIV worden hier ook toegepast:

  • De werknemer heeft een leeftijd tussen de 18 en 27 jaar;
  • De werknemer ontvangt tussen de 100% en 125% van het minimum(jeugd)loon;
  • De werknemer heeft binnen het kalenderjaar minimaal 1.248 werkuren gemaakt. Dan werkt de jongere gemiddeld 24 uur per week in een volledig kalenderjaar.

Het urencriterium en de uurloongrenzen, in percentages van het wettelijk minimumloon (WML), zijn zo ingebouwd om onder andere kleine (bij)banen en banen van meer dan 125% van het WML uit te sluiten.

De regeling treedt in werking zodra er is vastgesteld dat met de opgestelde parameters de beoogde doelgroep wordt bereikt. Mocht het blijken dat deze niet toereikend zijn, dan kunnen de parameters worden aangepast om de doelgroep te vergroten.

De hoogte van het LKV jongeren wordt bepaald aan de hand van de definitief vastgestelde parameters. Het bestaande LIV-budget van maximaal €1.000,- per medewerker is hiervoor in zijn geheel beschikbaar. In een effectievere vorm zou de Wtl de werkgever verder stimuleren om (nieuwe) medewerkers met een beperking in dienst te nemen en te houden.

Structurele Loonkostenvoordeel banenafspraak

Mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt vallen binnen de doelgroep banenafspraak. Dit zijn bijvoorbeeld mensen die door een arbeidsbeperking niet in staat zijn om het wettelijk minimumloon te verdienen. Door het structureel maken van het Loonkostenvoordeel banenafspraak worden werkgevers gestimuleerd om mensen binnen deze doelgroep in dienst te nemen, en ook te behouden.


Tijdens Prinsjesdag is bekend gemaakt  het structureel maken van het LKV banenafspraak is uitgesteld. De regeling zal per 2024 in werking treden. Vanaf dat moment kan je als werkgever de regeling tijdens het gehele dienstverband van de medewerker toepassen. Ook is de LKV dan toepasbaar voor alle medewerkers die op dat moment in de doelgroep banenafspraak vallen, ook al zijn deze langer in dienst.


Als werkgever hoef je voor het structurele LKV banenafspraak geen doelgroepverklaring meer aan te vragen. De doelgroep is terug te vinden in het doelgroepregister van het UWV.

Voor mensen die werken op een beschutte werkplek of mensen met een Wet Sociale Werkvoorziening-indicatie (Wsw-indicatie) die werken binnen een Wsw-bedrijf bestaat er geen recht op LKV banenafspraak. De mensen binnen deze groepen zijn vaak ouder dan 27 jaar. Voor deze doelgroepen wordt onderzocht op welke manier er compensatie kan plaatsvinden.

Vragen?

Heb je vragen over dit bericht? Neem dan contact op met onze specialist Anita Portegies. Stuur een mail naar info@oaz.nl of bel 088 5600700.


Uitstel quotumregeling

No-Risk en ziekteverzuim: hoe werkt het tijdens corona?

Nu een groot deel van Nederland thuis werkt is ziekteverzuim voor zowel werkgever als werknemer wat ingewikkelder dan normaal. Want wat doe je als de huisgenoot van een werknemer met verkoudheidsklachten thuis zit? En hoe werkt dat als werkgever met je no-riskpolis? Een van de diensten van OAZ is werkgevers ondersteunen in het tijdig signaleren en aanspraak doen op de no-riskpolis. In de afgelopen maanden merken we dat er veel vragen en onduidelijkheden zijn rond corona en no-risk.

Zo signaleren we een aantal terugkerende situaties waar de combinatie corona en de no-riskpolis voor onduidelijkheid zorgt. In dit artikel belichten we twee van de meest voorkomende situaties en vertellen we hoe wij je hierbij kunnen helpen.

Wat is de no-riskpolis?

De no-riskpolis is een looncompensatie-regeling voor werkgevers die mensen in dienst hebben met een arbeidsbeperking of met een Indicatie banenafspraak. Als de betreffende werknemer ziek wordt kun je aanspraak maken op de no-riskpolis. De polis compenseert in zijn geheel, of voor een deel het loon dat je als werkgever moet doorbetalen bij ziekte van je medewerker.

Ziekteverzuim en corona

Niet voor alle beroepen en werkzaamheden is vanuit huis werken een mogelijkheid. In die gevallen is doorwerken met lichte klachten daarom vaak geen optie. Voor werkgevers en werknemers zijn dit situaties waar nog veel onduidelijkheid heerst. Twee van de meest voorkomende situaties en de aanpak hiervan lichten we hieronder graag toe.

1: Ziekte van een familielid binnen het eigen huishouden

Een familielid van je medewerker heeft verkoudheidsklachten en wacht op de uitslag van de coronatest. De werkzaamheden die je werknemer normaal verricht kunnen alleen op locatie worden gedaan. Omdat hij of zij thuis moet blijven kunnen de normale werkzaamheden niet verricht worden.

De vraag die veel werkgevers in deze situatie hebben is of dit als een ziekmelding kan worden gezien en of er een wachtdag voor mag worden ingehouden. Het antwoord is nee, deze situatie valt niet onder ‘loon bij ziekte’. Als een medewerker geen werk kan uitvoeren als gevolg van de RIVM-voorschriften of voorschriften vanuit de werkgever, dan loopt de werkgever hier 100% risico. In deze situatie dient de werkgever 100% van het loon van de medewerker te betalen.

Wat wel een mogelijkheid is, is om je medewerker te verplichten thuis andere werkzaamheden uit te voeren. Je medewerker mag dit niet zonder meer weigeren. Uiteraard moet dit wel werk zijn dat thuis kan worden gedaan. Een andere optie is dat je medewerker de dagen als vakantiedagen opneemt. Je kan dit als werkgever niet verplichten aan je werknemer maar wellicht staat hij of zij er in goed overleg voor open.

2: Lichte gezondheidsklachten van eigen medewerker

Je medewerker valt binnen de no-risk doelgroep en heeft lichte verkoudheidsklachten. Hij of zij moet hierdoor thuisblijven. Valt dit wel onder een ‘normale’ ziekmelding? Hier luidt het antwoord ja, deze vorm van verzuim valt onder een ‘normale’ ziekmelding. In deze situatie kun je dus ook de no-riskpolis aanspreken. Als werkgever heb je hier de mogelijkheid om één wachtdag in te houden. Let wel op, dit kan alleen als het schriftelijk met je medewerker is overeengekomen.

Vragen bij het UWV, ondersteuning door OAZ

Het UWV heeft speciaal voor vragen rondom corona en de no-riskpolis extra mensen ingezet. Via het werkgeversportaal kun je aan je accountmanager vragen stellen over het wel of niet ziekmelden van medewerkers rondom corona. Als werkgever is het namelijk belangrijk om ziekmeldingen op tijd door te geven om aanspraak te kunnen maken op no-risk.

Daarnaast is het registreren van no-risk bij je werknemers en het controleren van uitbetalingen ook essentieel als je optimaal gebruik wilt maken van de no-riskpolis. Met al deze administratieve taken kunnen wij je helpen. Door bijvoorbeeld een digitale vragenlijst te versturen aan je nieuwe medewerkers registreren wij al in een vroeg stadium de mensen die in de no-risk doelgroep vallen. Ook signaleren we hiermee andere mogelijke loonkostenvoordelen.

Dit zorgt er voor dat je overzicht en controle houdt op de toepassing van de polis en dat je zeker weet dat deze volledig wordt benut. Er is dan meer rust om complexere situaties zoals verzuim tijdens corona vlot op te kunnen pakken.

Impact op jouw organisatie

Wil je weten wat het gebruik van de no-riskpolis voor impact heeft op jouw organisatie en wil je controle houden op de signaleringen van no-risk? Neem dan contact op met no-risk specialist Elena Maranus via info@oaz.nl of bel direct 088-5600700.


Wat is Praktijkleren?

Extra impuls Praktijkleren

Op 15 mei jl. besloot minister Van Engelshoven, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), om de subsidieregeling Praktijkleren een extra impuls te geven. Het doel achter deze impuls Praktijkleren is het motiveren van werkgevers om BBL-leerplekken aan te (blijven) bieden. Het resultaat is een extra investering van 10,6 miljoen euro in de regeling Praktijkleren voor de schooljaren 2020-2021 en 2021-2022. Deze investering is afkomstig van het budget dat is vrijgemaakt om de gevolgen van corona te verlichten.

Actieplan impuls Praktijkleren

De aanleiding voor de extra investering is het aangeboden actieplan van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB). Dit actieplan richt zich op het aanbod van voldoende stages en leerbanen voor mbo-studenten, aankomende mbo-studenten, en werkenden en werkzoekenden die via het mbo worden opgeleid. De minister van OCW maakte vorige week bekend welke sectoren er in aanmerking komen voor de subsidieverhoging.

Hoe kom je in aanmerking voor subsidieverhoging?

Om voor de extra subsidie in aanmerking te komen worden per sector enkele criteria gehanteerd. Deze zijn als volgt:

  • Er zijn goede arbeidsmarktperspectieven voor mbo’ers;
  • De sector is conjunctuurgevoelig, of er komen veel contactberoepen in voor;
  • De sector wordt voornamelijk privaat gefinancierd.

In haar brief aan de Tweede Kamer geeft van Engelshoven een overzicht van de sectoren waarop de subsidieverhoging betrekking heeft. Een voorbeeld van een leertraject dat in aanmerking komt is ‘gespecialiseerde werkzaamheden in de bouw’, zoals voor kan komen bij Stukadoren en Bouwtimmeren. Ook de trajecten ‘handel in en reparatie van auto’s, motorfietsen en aanhangers’, ‘detailhandel’ (niet in auto’s) en ‘vervoer over zee’ staan in het overzicht van de minister.

De sectoren landbouw, horeca en recreatie vallen buiten de selectie voor de extra impuls Praktijkleren. Voor deze sectoren is reeds een bedrag van 10,6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de verhoging van de subsidie Praktijkleren via de motie-Heerma.

De brief van de minister en de complete lijst van sectoren die in aanmerking komen voor de impuls Praktijkleren vind je hier.

Wanneer kan je de extra impuls verwachten?

Als werkgever in een van de sectoren die in aanmerking komt, ontvang je de extra subsidie bovenop het bedrag waar je via de huidige regeling Praktijkleren al aanspraak op kunt maken. Dit bedrag wordt nog steeds berekend op basis van het aantal BBL-leerplekken dat je aanbiedt.

De wijziging van de regeling Praktijkleren wordt begin 2021 gepubliceerd. Vanaf dat moment zal de extra subsidie met terugwerkende kracht worden toegekend. Na publicatie van de wijzigingen in 2021 wordt beoordeeld of de manier van aanvragen van de subsidie Praktijkleren gelijk blijft, of dat hier aanpassingen nodig zijn.

Blijf op de hoogte!

OAZ houdt je op de hoogte van het laatste nieuws over de ontwikkelingen van de regeling Praktijkleren. Heb je vragen over de regeling of ben je benieuwd of  je in aanmerking komt voor de extra impuls? Neem dan contact op met Suzie Rohling via info@oaz.nl of bel direct 088-5600700.